sounder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een Amerikaanse sounder
Uitspraak
Woordafbreking
  • soun·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sounder sounders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sounder m

  1. (communicatie) (geschiedenis) apparaat waarmee men op het gehoor een telegram kan opnemen doordat de morsecode als geluid wordt weergegeven
      Morsetoestellen worden in Nederland op practisch alle kantoren aangetroffen. (…) In plaats van zichtbaar, worden de teekens soms hoorbaar gemeld; het schrijftoestel wordt dan vervangen door een klopper of sounder.[1]

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 8 juni 2021 Weblink bron Swanenburg, B. & Nolet, W. “Leopold's Encyclopaedie. Deel 3 N-Z : Telegraaph” (1939/1940), Leopold, Den Haag, p. 645/646
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afgeleid van het werkwoord sound met het achtervoegsel -er.
  • [B] Ontleend aan Frans sonder.
  • [C] Ontwikkeld uit Oudengels sunor.

Zelfstandig naamwoord

[A] sounder

  1. iemand die een geluid voortbrengt, iets dat een geluid maakt
  2. (communicatie) (geschiedenis) sounder, apparaat waarmee men op het gehoor een telegram kan opnemen
  3. mv (medisch) (verouderd) stethoscoop
Overerving en ontlening

[B] sounder

  1. (scheepvaart) sonde, peilapparaat
  2. (scheepvaart) de bediener van de sonde, peiler
  3. (visserij) sonarapparaat om vissen in de zee waar te nemen

[C] sounder

  1. (jachttaal) rotte, groep wilde zwijnen geleid door een ervaren zeug

Bijvoeglijk naamwoord

sounder sounder

  1. vergrotende trap van sound

Verwijzingen