solitair

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·li·tair
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eenzaam’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van het Franse solitaire met het achtervoegsel -air [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord solitair solitairen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

solitair m

  1. eenling
  2. (biologie) alleen levend dier van een diersoort die in principe in kolonies leven
Verwante begrippen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen solitair solitairder solitairst
verbogen solitaire solitairdere solitairste
partitief solitairs solitairders -

Bijvoeglijk naamwoord

solitair [3]

  1. alleen levend
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen