soldenier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sol·de·nier
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord soldenier soldeniers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

soldenier m [2]

  1. huursoldaat, huurling
     De ketellapper diende als soldenier in een van regimenten die voor het parlement vochten.[3]

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. soldenier op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron M. Dankers “Het paradijs opnieuw verloren” (19-11-2003), Reformatorisch Dagblad