Naar inhoud springen

soepel

Uit WikiWoordenboek
  • soe·pel
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘buigzaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen soepelsoepelersoepelst
verbogen soepelesoepeleresoepelste
partitief soepelssoepelers-

soepel

  1. gemakkelijk buigend en zich aanpassend
    • Het leer was door invetten weer soepel geworden. 
     Ik moest leren me meer aan te passen en soepeler te worden, wat nog best wennen was voor mij.[2]
  2. (figuurlijk) weinig problemen ondervindend
    • De zaak werd op een soepele manier afgehandeld. 
     Er zorg voor dragen dat de tekst soepel liep.[3]
     Iets wat volgens mij minder soepel ging dan ze had gehoopt.[4]
     Zijn ademhalingen en hartslagen zijn soepel en schaars, de plooien zijn uit zijn gezicht verdwenen, zijn lichaam is een bron van atoom-zelf, een zorgeloze som der delen, alsof hij weet dat daarbuiten de aarde aldoor blijft wegdraaien en zichzelf heruitvinden en er voor hem niets te doen overblijft.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  1. "soepel" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
  4. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  5. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be