sodemieter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • so·de·mie·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘scheldwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1853 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord sodemieter sodemieters
verkleinwoord sodemietertje sodemietertjes

Zelfstandig naamwoord

sodemieter m [3]

  1. (scheldwoord) homoseksueel, sodomiet
Uitdrukkingen en gezegden
  • als de sodemieter
heel snel
  • Er kwamen twee nerveuze mannetjes aangerend. Ze waren gekleed als obers en zwaaiden druk met hun armen. Ze riepen: `Vite, vite!' Ze wezen ons een tafeltje achter in het restaurant. We moesten als de sodemieter aan dat tafeltje gaan zitten. [4]

Werkwoord

vervoeging van
sodemieteren

sodemieter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sodemieteren
    • Ik sodemieter. 
  2. gebiedende wijs van sodemieteren
    • Sodemieter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sodemieteren
    • Sodemieter je? 


Gangbaarheid

Verwijzingen