snuisteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snuis·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snuisteren
snuisterde
gesnuisterd
zwak -d volledig

Werkwoord

snuisteren [2]

  1. inergatief snuffelen
    • Er wordt soms urenlang gesnuffeld, gesnuisterd, en op de kop getikt. 

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen