Naar inhoud springen

snuffelen

Uit WikiWoordenboek
  • snuf·fe·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snuffelen
snuffelde
gesnuffeld
zwak -d volledig

snuffelen

  1. inergatief aandachtig ruiken
  2. inergatief nieuwsgierig en vaak ook heimelijk doorzoeken
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]