snotterig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snot·te·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen snotterig snotteriger snotterigst
verbogen snotterige snotterigere snotterigste
partitief snotterigs snotterigers -

Bijvoeglijk naamwoord

snotterig

  1. met een verstopte neus waar slijm uitkomt
    • Hij was niet echt ziek maar wel snotterig. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.