snotter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snot·ter

Werkwoord

vervoeging van
snotteren

snotter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snotteren
    • Ik snotter. 
  2. gebiedende wijs van snotteren
    • Snotter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snotteren
    • Snotter je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.