snok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snok

Werkwoord

vervoeging van
snokken

snok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snokken
    • Ik snok. 
  2. gebiedende wijs van snokken
    • Snok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snokken
    • Snok je? 

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.