Naar inhoud springen

snikken

Uit WikiWoordenboek
  • snik·ken
  • In de betekenis van ‘krampachtige bewegingen maken, krampachtig ademen’ voor het eerst aangetroffen in 1552 [1] [2]
  • Ablautend bij snakken, (verouderd) sneuken.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snikken
snikte
gesnikt
zwak -t volledig

snikken

  1. ademhalend met schokkende bewegingen huilen
     Ik barstte in snikken uit.[3]

desnikkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord snik
     'Kan je daar wat mee?' vroeg ze tussen het snikken door.[4]
     Quick was niet iemand bij wie je in snikken uitbarstte, tenzij het echt niet anders kon, en wanneer het om haar eigen pijn en verdriet ging, zou je je een complete idioot voelen om te gaan huilen, terwijl zij je met droge ogen aankeek en trekjes van de sigaretten nam die medeplichtig waren aan haar dood.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]