snert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snert
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] wellicht afgeleid van  snorren ww  in een oude betekenis van "pruttelen in eenpan", in de betekenis van ‘erwtensoep’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1768 [1][2][3]
  • [2] ontstaan uit de eerste betekenis, omdat erwtensoep als voedsel laag werd gewaardeerd, getuige bijvoorbeeld een klacht uit 1797 over het eten bij de marine "vandaag stokvis met snert en morgen snert met stokvis"[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord snert -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

snert v/m

  1. (voeding) lobbige soep vervaardigd van erwten
    • Na een paar uur op het ijs ging een kop snert met rookworst er wel in. 
  2. (figuurlijk) waardeloos spul
Opmerkingen
  • De figuurlijke betekenis "waardeloos spul" is vooral gangbaar als eerste deel van samengestelde zelfstandige naamwoorden met ongeveer dezelfde betekenis als rot-. Bij sommige samenstellingen zijn beide betekenissen mogelijk, afhankelijk van de context.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord snert -

Zelfstandig naamwoord

snert

  1. onzin, bragel, troep