snerpend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sner·pend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
snerpen

snerpend

  1. onvoltooid deelwoord van snerpen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen snerpend snerpender snerpendst
verbogen snerpende snerpendere snerpendste
partitief snerpends snerpenders -

Bijvoeglijk naamwoord

snerpend

  1. luid, scherp doordringend geluid makend
    • Een snerpende stem. 'Ik geloof niet dat wij elkaar kennen.' Uit een nogal doorzichtige mouw kwam een bleke hand tevoorschijn. `Elisabeth.' [1] 
    • Naast me begint een ezel snerpend te balken, hij heeft een ponypaard gespot en wil eropaf, zijn bek wijd open, zijn tong als een geile roze lap eruit. Ik kan m'n ogen er niet vanaf houden. Twee mannen hangen om zijn hals. Ernaast staan geiten aangelijnd als honden in de regen met hun bazen mee te demonstreren. [2] 


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Winter, Julian De Messias [2015] ISBN 978-90-446-2746-6 pagina 53
  2. Bok, Pauline de De Jaagster [2014] ISBN 978-90-254-4091-6 pagina 69