sneeuwval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sneeuw·val
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sneeuwval -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sneeuwval m [1]

  1. (meteorologie) het vallen van sneeuw

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen