snakerig
Uiterlijk
- sna·ke·rig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | snakerig | snakeriger | snakerigst |
| verbogen | snakerige | snakerigere | snakerigste |
| partitief | snakerigs | snakerigers | - |
snakerig [1]
- van een persoon dat deze heftig naar iets verlangt
- zoals past bij een snaak
- [1] snakkend
- [2] grappig, snaaks, humoristisch, schalks, lachwekkend, boertig
- Het woord snakerig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "snakerig" herkend door:
| 40 % | van de Nederlanders; |
| 41 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be