smoezelig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smoe·ze·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beduimeld’ voor het eerst aangetroffen in 1846 [1]
  • afgeleid van smoezel (stam van het werkwoord smoezelen) met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen smoezelig smoezeliger smoezeligst
verbogen smoezelige smoezeligere smoezeligste
partitief smoezeligs smoezeligers -

Bijvoeglijk naamwoord

smoezelig

  1. niet helemaal schoon
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen