smijter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smij·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smijter smijters
verkleinwoord smijtertje smijtertjes

Zelfstandig naamwoord

smijter m [1]

  1. iemand die met iets gooit
    • De rode verf-smijters waren toen al meerdere malen langs geweest. [2] 
  2. ruziemaker, vechtersbaas
    • Een groteske restaurantsketch zet al meteen de toon van de humor. Het mag gerust plat en een beetje goor, als de grappen maar iets zeggen over relaties en emoties. In de familie Deprez heb je roepers (de mannen) en smijters (de vrouwen). De energieke, expressieve stijl van Wouter Deprez is een komische attractie op zich, met die mooie, perfect getimede gebaren, bewegingen, stapjes en sprongetjes. En het is fysiek zonder twijfel erg inspannend, wat die 2,5 uur nog extra glans geeft. [3] 
    • Ik ben een beschermende moeder voor mijn dochter. Zij was dat minder. Als ik nu zie hoe ze zich smijt, leer ik daar van. Ik ben ook een smijter, maar niet op alle vlakken. En mama leerde me ook een open kijk te hebben op de dingen. Kritisch zijn, maar de mensen niet in vakjes duwen.' [4] 
    • Zo lopen er bij ons ook velen, die menen iets te zijn. Ze zijn geen hoereerder en geen dronkaard, geen vechter en geen smijter en menen dat er wel voldoende overschiet om in de hemel te komen. Ze menen dat ze waarlijk onder de gelovigen moeten worden gerekend. [5] 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jan Gerritsen 25 augustus 2009 Rode verf tegen financiële elite IJsland
  3. De Standaard 22 JANUARI 2018 Het komt voor in de beste families
  4. De Standaard 07 FEBRUARI 2009 OM 00:00 UUR | Rudi Moeraert 'Telkens ik Gent binnenrijd, voel ik vlinders in mijn buik'
  5. Reformatorisch Dagblad 21-07-2003 Zelfbedrog