smaken

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smaken
smaakte
gesmaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

smaken

  1. onovergankelijk, onpersoonlijk, (voeding), (drinken) een bepaalde smaak hebben
    • Deze rode wijn smaakt voortreffelijk bij vleesgerechten. 
     Nog nooit smaakte spaghetti zo goed.[1]
    • Bah, wat smaakt dat vies! 
  2. onovergankelijk, onpersoonlijk, (voeding), (drinken), (pregnant) een aangename, goede smaak hebben
    • Smaakt het? 
  3. onovergankelijk met meewerkend voorwerp, (figuurlijk) aanstaan [1], behagen, bevallen [1]
    • Dit voorstel smaakte hun niet. 
  4. overgankelijk (voeding), (drinken) nuttigen, proeven
  5. overgankelijk, (figuurlijk) genieten van
    • Gij zult een overgrote wellust smaken. 
  6. overgankelijk, (figuurlijk), (verouderd) ervaren, ondergaan, ondervinden
     Terwijl ZIJ (Jezus' discipelen van alle eeuwen) zonder Zijn zichtbare tegenwoordigheid in de wereld zouden zijn, zou allerlei nood over hen komen en zouden zij allerlei droefheid smaken tot aan Zijn wederkomst, want om Zijns Naams wil zouden ZIJ door allen gehaat worden [...]..[2]
Uitdrukkingen en gezegden
  • Naar meer smaken
Zo goed bevallen, dat je er meer van wilt
• Die spanning, die hectiek. Dat smaakte naar meer! 
  • Nergens naar smaken
Een vieze smaak hebben

Zelfstandig naamwoord

smaken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord smaak

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 12 oktober 2018
    P. J. Den Admirant
    “Ik Geloof In De Heilige Geest” (20 augustus 1993), Ecclesia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be