slungelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slun·ge·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

slungelen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slungelen
slungelde
geslungeld
zwak -d volledig
  1. onhandig, doelloos, slingerend rondlopen met zwaaiende armen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen