sluis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sluis
enkelvoud meervoud
naamwoord sluis sluizen
verkleinwoord sluisje sluisjes

Zelfstandig naamwoord

sluis v/m

  1. (scheepvaart) een kunstwerk om water te keren en mogelijk ook om schepen door te laten, op een plaats tussen twee waters met een verschillend waterpeil.
  2. een afgesloten ruimte met aan twee zijden een deur, waarvan er tegelijkertijd slechts één open kan.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
sluizen

sluis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluizen
    • Ik sluis. 
  2. gebiedende wijs van sluizen
    • Sluis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluizen
    • Sluis je?