sluiken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slui·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sluiken
slook
gesloken
klasse 2 volledig

Werkwoord

sluiken

  1. inergatief (verouderd) ongemerkt, kruipend iets verrichten
    • ...dat soeter smaekt in 't sluiken en verbergen[1]. 
  2. overgankelijk (verouderd) smokkelen
    • Brandewijn sluiken. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Vondel