slimmigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slim·mig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slimmigheid slimmigheden
verkleinwoord slimmigheidje slimmigheidjes

Zelfstandig naamwoord

slimmigheid v [1]

  1. het op een handige manier intelligent zijn; een handeling die getuigt van praktische intelligentie
    • Oud worden zoals Henny Gelink is bijna een zegen. Hij ziet nog uitstekend, is nog zeer helder van geest. Af en toe - maar dat is soms ook slimmigheid - denkt hij bepaalde dingen niet meer te weten. [2] 
    • Volle bak ertegen aan, snap je? In het voetbal heb je niet genoeg aan woorden alleen. En ja, dat heeft ook te maken met ervaring.” Toch blijft Bonke hoopvol en positief over de ambities. De derde klasse? „Als die slimmigheid erin komt, dan komt het goed.” [3] 
    • 'Het positiespel, de slimmigheid, de volwassenheid, dat miste ik toen ik hier kwam', zegt De Boer tegen AT5. 'Aan die facetten werken we nu keihard met z'n allen op De Toekomst.' [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen