slimheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slim·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slimheid slimheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

slimheid v [1]

  1. de eigenschap van een persoon n.l. dat deze intelligent, vindingrijk maar ook geslepen is
    • "De keeper mag die pass prima geven, al was hij wat zacht. Maar je kunt dan als verdediger ook die bal aanvallen, of de tribune in trappen, of sneller anticiperen. En als je dan voelt dat de aanvaller in het voordeel is, moet je zeker van hem afblijven. Dat zijn cruciale dingen. Het heeft met slimheid te maken. Dat weet Menno ook. Hij is één van onze meest ervaren spelers, dus dit mag hem eigenlijk niet gebeuren. Het snijdt je adem af, want de tactiek klopt wel."[2] 
    • Buiten het algemeen klassement van de Tour de France is er voor journalisten en tourvolgers ook een onderlinge competitie. De wedstrijd ’Wie heeft vandaag het éérst een tafeltje op een goed lunchadres?’ heeft te maken met slimheid en tourervaring.[3] 
    • Vogelslimheid komt uit een compact brein: Per gram bevatten vogelhersenen veel meer zenuwcellen dan zoogdierhersenen. Hoe slimheid vleugels kreeg.[4] 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 22 okt. 2017
  3. de Telegraaf TONNY EYK 15 jul. 2017
  4. NRC 14 juni 2016