slijper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slij·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slijper slijpers
verkleinwoord slijpertje slijpertjes

Zelfstandig naamwoord

slijper m [2]

  1. (beroep) iemand die slijpt
  2. (gereedschap) toestel waarmee men iets kan slijpen bijv. een haakse slijper
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal