slijmerig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slij·me·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slijmerig slijmeriger slijmerigst
verbogen slijmerige slijmerigere slijmerigste
partitief slijmerigs slijmerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

slijmerig

  1. bedekt of besmeurd met slijm
    • Hij veegde zijn slijmerige handen af aan een paar vodden. 
  2. overdrachtelijk overdreven vriendelijk of vleiend
    • Die slijmerige vent komt er bij mij niet meer in. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.