sleutelkind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleu·tel·kind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sleutelkind sleutelkinderen
verkleinwoord sleutelkindje sleutelkindjes

Zelfstandig naamwoord

sleutelkind o

  1. kind van ouders die overdag niet thuis zijn en een sleutel meekrijgt om na schooltijd zelf thuis binnen te kunnen komen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.