sledehond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

sledehonden
sledehonden in Nederland
Uitspraak
Woordafbreking
  • sle·de·hond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sledehond sledehonden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sledehond m

  1. een hond die sanen met andere honden een slee trekt
    • .... en sneeuw waarop de sledehonden, ondanks alle pogingen ze het af te leren, hebben gepist.[1] 
    • Toch is het hoogzomer. Groenlandse meisjes joggen door de straten van het havenstadje, een jong stel duwt een kinderwagen voort. Sledehonden liggen te soezen in de zon. [2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Adams, Douglas Eoin Colfer Tot ziens en bedankt voor de vis [2010] ISBN 978-90-225-5615-3 pagina 13
  2. de Standaard ZATERDAG 7 OKTOBER 2017