slalom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·lom
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Noors, in de betekenis van ‘afdaling met hindernissen (bij skiën)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1947 [1]

Werkwoord

vervoeging van
slalommen

slalom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slalommen
    • Ik slalom. 
  2. gebiedende wijs van slalommen
    • Slalom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slalommen
    • Slalom je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen