slalom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·lom

Werkwoord

vervoeging van
slalommen

slalom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slalommen
    Ik slalom.
  2. gebiedende wijs van slalommen
    Slalom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slalommen
    Slalom je?

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie