slalepel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·le·pel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slalepel slalepels
verkleinwoord slalepeltje slalepeltjes

Zelfstandig naamwoord

slalepel m

  1. grote lepel waarmee men, samen met een slavork, een salade kan mengen en opscheppen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen