slagvaardig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slag·vaar·dig
Woordherkomst en -opbouw

afleiding van slag met het achtervoegsel -vaardig

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slagvaardig slagvaardiger slagvaardigst
verbogen slagvaardige slagvaardigere slagvaardigste
partitief slagvaardigs slagvaardigers -

Bijvoeglijk naamwoord

slagvaardig

  1. gereed zijn om iets snel en krachtig aan te pakken
    • Een stabiele euro, een krachtige en slagvaardige bankenunie en een sterke en eerlijke interne Europese markt, met een gelijk loon voor hetzelfde werk op dezelfde plek, zijn direct in het belang van ons land. [1]) 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. troonrede 2016
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be