sladood

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·dood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sladood
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sladood m [2]

  1. (persoon) (verouderd) iemand die heel lang van stuk is
    • Op de geloofwaardigheid van de gebeurtenissen valt wel iets af te dingen, maar De zondaars is goed geschreven en intrigeert dusdanig dat je nieuwsgierig blijft naar wat die sladood nu eigenlijk bezielt. [3] 
    • Voorbeelden van zulke zinwoorden vond ik er ook. Een werkwoord met een zelfstandig naamwoord: ‘waaghals, dwingeland en brekebeen’. Werkwoord met bijwoord: ‘deugniet, weetniet en schreeuwlelijk’. Werkwoord met voorzetsel: ‘slokop, klimop, hangop en flapuit’. En werkwoord met bijvoeglijk naamwoord, ‘zoals in het verouderde sladood’. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. sladood op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Volkskrant Edith Koenders 2 juni 2006
  4. NRC Maxim Februari 5 juli 2016