slaapfeestje
Uiterlijk
- slaap·feest·je
het slaapfeestje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord slaapfeest
- ▸ Ik ben vanavond alleen met hem, want Caroline heeft haar langverwachte slaapfeestje met de meisjes uit haar klas en is niet thuis.[1]
- ▸ Ik passeer de woning waar Caroline haar slaapfeestje viert.[1]
- ▸ Daarom meldde ik me ook als vrijwilliger om het slaapfeestje van Caroline en haar vriendinnen op Hoeve Bonnet te organiseren.[1]
- Het woord slaapfeestje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 3 “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280