skilopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

skilopen
Uitspraak
Woordafbreking
  • ski·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

skilopen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
skilopen
liep ski
skigelopen
zwak -d volledig
  1. (sport) wintersport waarbij men zich met ski's en stokken voortbeweegt
    • De Noorse skibond heeft een opmerkelijke maatregel genomen om de aanhoudende berichten over doping bij onder anderen achtvoudig olympisch kampioen skilopen Björn Dählie te ontkrachten. [2] 
    • De 33-jarige Sachenbacher-Stehle bevestigde gisteren al haar positieve controle, maar kon die naar eigen zeggen totaal niet verklaren. De Duitse behaalde in haar carrière vijf olympische medailles in het skilopen. [3] 
  2. (sport) sport/spel waarbij men zich met stokken en ski's op wieltjes voortbeweegt
    • Op het plein voor het prachtige stadhuis doen prins Floris en prins Bernhard mee aan skilopen. Het gaat ze tot de laatste halve meter goed af, dan struikelen ze. [4] 
Synoniemen


Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen