skiester

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • skie·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord skiester skiesters
verkleinwoord skiestertje skiestertjes

Zelfstandig naamwoord

skiester v

  1. vrouw die skiet

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be