skiën

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ski·en
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van ski met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
skiën
skiede
geskied
zwak -d volledig

Werkwoord

skiën

  1. inergatief, (sport) zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    • Er wordt daar 's winters veel geskied. 
  2. ergatief, (sport) zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    • We zijn van die hut naar de andere lift geskied. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie