skaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • skaat
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Duits [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord skaat
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

skaat o

  1. (kaartspel) Duits kaartspel dat men speelt met 3 personen en 32 kaarten
Vertalingen

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen