sjor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sjor

Werkwoord

vervoeging van
sjorren

sjor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sjorren
    • Ik sjor. 
  2. gebiedende wijs van sjorren
    • Sjor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sjorren
    • Sjor je? 

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.