sjako

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sja·ko
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sjako sjako's
verkleinwoord sjakootje sjakootjes

Zelfstandig naamwoord

sjako m

  1. (militair) (hoofddeksel) hoed in de vorm van een afgeknotte kegel van stijf materiaal, die naar boven toe wijder of juist smaller wordt met een klep aan de voorkant, en soms ook aan de achterkant
    • Een sjako is een hoofddeksel van (Franse) soldaten die vochten tijdens de slag bij Waterloo in 1815; het lijkt een beetje op een koksmuts, maar dan van dikkere stof en de kleur was natuurlijk niet wit. [3]

Gangbaarheid

23 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen