sitze

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • sit·ze
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
sitze
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gsotze
enkelvoud meervoud
1e persoon ich sitz mir sitze
2e persoon du sitscht [1] dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
sitzt
sitze
sitzt
sitze
sitze
3e persoon er sitzt sie sitze
sie sitzt
es sitzt

Werkwoord

sitze

  1. zitten
Opmerkingen

Verwijzingen

  1. Als de woordstam op een sisklank eindigt vervalt de sibilant [z].