situer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| situer |
situais |
situé |
| eerste groep | volledig | |
situer
- overgankelijk plaatsen; de plaats bepalen van iets
- overgankelijk situeren; plaatsen (in tijd of ruimte)
- wederkerend se ~: zich bevinden [2]; zich situeren