sintel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sin·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uitgebrand stuk steenkool’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1436 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord sintel sintels
verkleinwoord sinteltje sinteltjes

Zelfstandig naamwoord

sintel m

  1. het niet volledig verbrande residu van steenkool
  2. een korrelig stolsel dat door een vulkaan uitgeworpen is

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen