sifon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

sifon
sifon
Uitspraak
Woordafbreking
  • si·fon
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hevel(fles)’ voor het eerst aangetroffen in 1881 [1]
  • van Frans siphon "hevel voor vloeistof" [2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord sifon sifons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sifon m

  1. geslingerde buis waarin een vloeistof blijft staan die een buis afsluit voor gassen met name in gebruik bij een waterafvoer
    • Gwendolyn, die opeens in de living naast haar man stond met de gereedschapskist in de hand (want ze wilde nog een keukenrekje herstellen en de sifon onder de gootsteen vervangen), keek een beetje beteuterd. ‘Schieten wij soms niet wat tekort als ouders, ­Jimmy?’ [4] 
    • Omdat de slang zich vastgreep aan de sifon van het toilet, moest Budd het complete toilet demonteren om de slang te kunnen verwijderen. [5] 
    • 'Wat mensen wel kunnen doen voordat ze een loodgieter bellen is de sifon, de zwanenhals vlak onder de gootsteen, losdraaien en kijken of de verstopping daar zit. Zet er dan wel een emmer onder, er zit altijd wat water in de sifon. Zorg ook dat de bak niet vol water staat, anders loopt alles zo in het gootsteenkastje. Als de verstopping in de sifon zit, deze goed leeg kloppen, en kijken of de goot weer doorloopt. Anders adviseer ik om alsnog een loodgieter te bellen.' [6] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen