shuffle
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| shuffle | shuffles |
shuffle
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to shuffle |
| he/she/it | shuffles |
| verleden tijd | shuffled |
| voltooid deelwoord |
shuffled |
| onvoltooid deelwoord |
shuffling |
| gebiedende wijs | shuffle |
shuffle
- onovergankelijk heen en weer bewegen
- onovergankelijk langzaam lopen, schuifelen, slenteren, sloffen
- onovergankelijk aarzelen, weifelen
- overgankelijk dooreenmengen, herschikken, verdelen, vermengen
- overgankelijk smokkelen
- overgankelijk, (kaartspel) schudden [3], wassen [5]