shinen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • shi·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
shinen
shinede
geshined
zwak -d volledig

Werkwoord

shinen

  1. ergatief stralen, schitteren
    • Shinen gebruikte hij - al tijden. Over een rapport dat net af was, bijvoorbeeld: "Wat ligt dat rapport lekker te shinen." Of als compliment tegen een collega: "Je stond echt te shinen bij die presentatie." [2]

Verwijzingen