seminarist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • se·mi·na·rist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord seminarist seminaristen
verkleinwoord seminaristje seminaristjes

Zelfstandig naamwoord

seminarist m

  1. (onderwijs) student aan een seminarie

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie