scorer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sco·rer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord scorer scorers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

scorer m

  1. iemand die scoort
Hyponiemen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.