schutteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schut·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schutteren
schutterde
geschutterd
zwak -d volledig

Werkwoord

schutteren

  1. inergatief knoeien, aanrommelen, onbeholpen te werk gaan
    • Hij schutterde nog een beetje verder todat de jury er een einde aan maakte. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be