schurftig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schurf·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schurftig schurftiger schurftigst
verbogen schurftige schurftigere schurftigste
partitief schurftigs schurftigers -

Bijvoeglijk naamwoord

schurftig [1]

  1. met schurft besmet
  2. smerig, immoreel
    • het is niet best als je voor schurftige hond wordt uitgemaakt 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen