schuitje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuit·je

Zelfstandig naamwoord

schuitje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord schuit
  2. (werktuigbouwkunde) houdertje voor de schietspoel in een weef-of naaimachine
     Houd de spoelhouder aan de draaisluiting vast. (5)- Plaats deze in het schuitje. (6).[1]
Uitdrukkingen en gezegden
  • In hetzelfde schuitje varen/zitten
Gezamenlijk in dezelfde (vaak ongunstige) omstandigheden verkeren, hetzelfde lot ondergaan

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 5 juni 2021 Weblink bron “Handleiding Silvercrest SNM 33 A1 - IAN 67073”, gebruikershandleiding.com
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be