schrapsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schrap·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schrapsel schrapsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schrapsel o [1]

  1. wat ontstaat na schaven of schrapen
     Ook in Nederland valt er over de kaasschaaf nog wel het een en ander te onderwijzen. „Veel mensen weten niet dat dat ding bot wordt. Dat kun je gemakkelijk testen door er, net als bij een schaats, met je nagel overheen te gaan. Blijft er schrapsel aan het mes zitten, dan is de schaaf scherp. Zo niet, dan moet je een nieuwe kopen. Tot ons verdriet gebeurt dat nog te weinig”, grapt hij.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Henk de Boer“Beursbezoeker bijt in plastic Boska-kaas” (29-04-2005), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be